Naar de inhoud

Misbruik van vennootschapsgoederen: artikel 476 Strafwetboek

Ondernemingsstrafrecht

Misbruik van vennootschapsgoederen is sinds 1 september 2026 strafbaar onder artikel 476 van het nieuwe Strafwetboek. Het misdrijf treft de bestuurder die de goederen of het krediet van de vennootschap voor eigen doeleinden gebruikt. Deze pagina zet uiteen wat het parket moet bewijzen, welke straf erop staat, en wat een vennootschap of een minderheidsaandeelhouder zelf kan ondernemen.

Wat houdt artikel 476 van het Strafwetboek in?

Artikel 476 van het nieuwe Strafwetboek straft de bestuurder in feite of in rechte van een privaatrechtelijke rechtspersoon. Het misdrijf bestaat erin dat hij met bedrieglijk opzet gebruik maakt van de goederen of van het krediet van die rechtspersoon voor persoonlijke doeleinden. Dat gebruik kan rechtstreeks of onrechtstreeks zijn.

Daarbij komt een tweede opzetvereiste. De dader wist dat dit gebruik de vermogensbelangen van de rechtspersoon op betekenisvolle wijze schaadde. Diezelfde wetenschap slaat op de belangen van zijn schuldeisers of vennoten.

Het parket hoeft dus niet aan te tonen dat de bestuurder het geld van de vennootschap zelf in handen kreeg. De wet noemt het krediet van de rechtspersoon naast haar goederen. Zij noemt ook het onrechtstreekse gebruik naast het rechtstreekse.

De hoedanigheid van de dader is een bestanddeel op zich. Artikel 476 spreekt van de bestuurder in feite en van de bestuurder in rechte. Het oude artikel 492bis noemde de bestuurders van burgerlijke en handelsvennootschappen en van verenigingen zonder winstoogmerk. De nieuwe tekst spreekt algemeen van een privaatrechtelijke rechtspersoon.

Feiten van voor 1 september 2026 blijven onder het oude artikel 492bis vallen. Artikel 2 van het nieuwe Strafwetboek legt daarbij op dat de voor de dader gunstigste bepaling geldt. Een dossier dat over beide periodes loopt, wordt dus twee keer gelezen.

Welke straf staat op misbruik van vennootschapsgoederen?

Artikel 476 stelt op het misdrijf een straf van niveau 3. Voor een rechtspersoon vertaalt artikel 38 van het Strafwetboek dat niveau naar een geldboete van meer dan 360.000 tot 600.000 euro. Dat is het bedrag uit de wettekst. Artikel 1 van de wet van 5 maart 1952 verhoogt de uitgesproken geldboete sinds 1 september 2026 met 2,5 opdecimes. Het eindbedrag ligt dus hoger.

Het Strafwetboek kent tegen een rechtspersoon meer dan de geldboete alleen. Artikel 38 noemt ook de verbeurdverklaring en de sluiting van de inrichting. Het noemt daarnaast het verbod om een activiteit uit te oefenen die deel uitmaakt van het voorwerp van de rechtspersoon. Artikel 57, eerste lid, bepaalt de duur van dat verbod op een tot tien jaar. Artikel 39 laat de rechter de veroordeling bekendmaken.

De vennootschap en de bestuurder staan naast elkaar terecht. De wet van 11 juli 2018 schafte de decumulregel af. Artikel 18, derde lid, bevestigt dat de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon die van de bestuurder niet uitsluit.

Loopt de strafvordering voor dezelfde feiten tegen de vennootschap en tegen haar vertegenwoordiger, dan wijst de bevoegde rechtbank een lasthebber ad hoc aan. Dat staat in artikel 2bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

Wat betekent het misdrijf voor de aansprakelijkheid van de bestuurder?

Een dossier over artikel 476 zet ook het plafond op de bestuurdersaansprakelijkheid op het spel. Artikel 2:57 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen kent vijf plafonds. Zij bedragen 125.000 euro, 250.000 euro, 1 miljoen euro, 3 miljoen euro en 12 miljoen euro. Welke trap geldt, hangt af van de omzet en het balanstotaal over de drie boekjaren voor de vordering.

Artikel 2:57, § 3, 1°, schakelt dat plafond uit bij zware fout, bij bedrieglijk opzet en bij oogmerk om te schaden. Artikel 476 vereist juist bedrieglijk opzet. In zo een dossier staat het plafond dus mee ter discussie.

Vooraf afspreken dat de vennootschap haar bestuurder vrijwaart, helpt niet. Artikel 2:58 verbiedt elke voorafgaande exoneratie of vrijwaring door de rechtspersoon. Een strijdig beding geldt voor niet geschreven.

Bij een faillissement komt artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht erbij. De bestuurder kan persoonlijk aansprakelijk worden verklaard voor het tekort wanneer een kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement.

Wat kunnen de vennootschap en haar aandeelhouders ondernemen?

De algemene vergadering beslist of tegen de leden van het bestuursorgaan een vennootschapsvordering wordt ingesteld. Artikel 5:103 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen regelt dat voor de besloten vennootschap. Artikel 7:156 doet hetzelfde voor de naamloze vennootschap.

De kwijting sluit die vordering niet altijd uit. In een besloten vennootschap geldt de kwijting alleen wanneer de jaarrekening de ware toestand niet verbergt door een weglating of een onjuiste opgave. Daarnaast moeten de met de statuten of het wetboek strijdige verrichtingen bepaaldelijk in de oproeping zijn aangegeven. In een naamloze vennootschap eist artikel 7:149, tweede lid, bovendien dat de bestuurders die schendingen in de agenda hebben opgenomen.

Een minderheidsaandeelhouder kan zelf optreden voor rekening van de vennootschap. Artikel 5:104 vraagt daarvoor in een besloten vennootschap ten minste 10 procent van de uitgegeven aandelen op de dag van de kwijtingsbeslissing. Artikel 7:157 vraagt in een naamloze vennootschap ten minste 1 procent van de stemmen. Effecten ter waarde van ten minste 1.250.000 euro volstaan daar ook. Wie de kwijting geldig heeft goedgekeurd, verliest die vordering.

Ziet u de verrichtingen zelf niet, dan kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank in kort geding deskundigen aanstellen. Zij zien de boeken, de rekeningen en de verrichtingen van de organen na. Daarvoor moeten er aanwijzingen zijn dat de belangen van de vennootschap ernstig in gevaar komen. De voorzitter beslist zelf of het verslag wordt bekendgemaakt.

De rechtsvordering tegen een bestuurder verjaart na vijf jaar (artikel 2:143, § 1). Die termijn loopt vanaf de verrichtingen, of vanaf de ontdekking ervan wanneer zij met opzet verborgen zijn gehouden. Wie schade heeft geleden, kan daarnaast bij de onderzoeksrechter klacht doen en zich burgerlijke partij stellen (artikel 63 van het Wetboek van strafvordering).

Waarmee helpt Everest (anti)fraud u?

Verdedigt u zich tegen een aantijging, dan begint het werk bij het dossier. Wij vragen inzage in het strafdossier. Daarna bouwen wij de strafrechtelijke verdediging van de onderneming op rond de bestanddelen die het parket moet bewijzen.

Stelt u het misbruik zelf vast, dan loopt de weg langs het conflict tussen de vennoten en langs het herstel. Wij behandelen vennootschapsconflicten en de schaderecuperatie na fraude.

Wilt u het risico kennen voor er een dossier is, dan brengt de audit strafrechtelijke verantwoordelijkheid in kaart welke misdrijven uw onderneming raken. Bij een overname doet de strafrechtelijke due diligence hetzelfde voor de vennootschap die u overneemt.

Veelgestelde vragen

Wie kan misbruik van vennootschapsgoederen plegen?

Alleen een bestuurder in feite of in rechte van een privaatrechtelijke rechtspersoon. Artikel 476 van het nieuwe Strafwetboek noemt die hoedanigheid uitdrukkelijk als bestanddeel. Het oude artikel 492bis was enger geformuleerd. Het sprak van de bestuurders van burgerlijke en handelsvennootschappen en van verenigingen zonder winstoogmerk. Het parket moet die hoedanigheid dus bewijzen, naast de andere bestanddelen.

Volstaat het dat de vennootschap schade lijdt?

Nee, artikel 476 vraagt vier bestanddelen samen. Het eerste is bedrieglijk opzet, het tweede de hoedanigheid van bestuurder in feite of in rechte. Het derde is het rechtstreekse of onrechtstreekse gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon voor persoonlijke doeleinden. Het vierde is de wetenschap dat dit gebruik de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van zijn schuldeisers of vennoten op betekenisvolle wijze schaadde. Ontbreekt een bestanddeel, dan valt het feit buiten die bepaling.

Welke straf staat op artikel 476 van het Strafwetboek?

Een straf van niveau 3. Voor een rechtspersoon bepaalt artikel 38 van het Strafwetboek voor dat niveau een geldboete van meer dan 360.000 tot 600.000 euro. Dat bedrag komt uit de wettekst en is niet het eindbedrag, want de wet van 5 maart 1952 verhoogt de uitgesproken geldboete met 2,5 opdecimes. Naast de geldboete kent artikel 38 ook de verbeurdverklaring en de sluiting van de inrichting. Daar komt het verbod bij om een activiteit uit te oefenen die deel uitmaakt van het voorwerp van de rechtspersoon.

Beschermt de kwijting de bestuurder tegen een vordering?

Niet altijd. Artikel 5:98, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen stelt twee voorwaarden aan de kwijting in een besloten vennootschap. De jaarrekening mag de ware toestand niet verbergen, en de strijdige verrichtingen moeten bepaaldelijk in de oproeping zijn aangegeven. Artikel 7:149, tweede lid, eist voor de naamloze vennootschap bovendien dat de bestuurders die schendingen in de agenda hebben opgenomen. Een verborgen verrichting levert dus geen geldige kwijting op.

Kan een minderheidsaandeelhouder de boeken laten nazien?

Ja, via de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zitting houdend in kort geding. Artikel 5:106 vraagt in een besloten vennootschap ten minste 10 procent van de uitgegeven aandelen. Artikel 7:160 vraagt in een naamloze vennootschap ten minste 1 procent van de stemmen, of effecten ter waarde van ten minste 1.250.000 euro. Er moeten aanwijzingen zijn dat de belangen van de vennootschap ernstig in gevaar komen. De voorzitter beslist zelf of het verslag van de deskundige wordt bekendgemaakt.

Neem contact op

Leg ons uw dossier voor.

Laat uw gegevens achter. U hoort binnen een werkdag van ons.

Of bel 09/334.94.70

Everest Fraud CTA (nl)
Everest (anti)fraud