Voor ondernemingen en bestuurders
Een leverancier die niet bestaat stuurt een factuur die wel betaald wordt. Een belegger zet geld op een rekening die hem met een valse hoedanigheid werd voorgehouden. Oplichting is het misdrijf van artikel 479 van het Strafwetboek. Deze pagina zet uiteen wat de wet straft, waar de grens met misbruik van vertrouwen ligt en welke stappen voor u openstaan.
Wanneer is er oplichting?
Artikel 479 van het Strafwetboek omschrijft oplichting als het met bedrieglijk opzet beogen te verwerven van een onrechtmatig economisch voordeel voor zichzelf of voor een ander. Dat gebeurt hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door listige kunstgrepen aan te wenden om andermans vertrouwen op slinkse wijze te winnen. Het bedrieglijk opzet en het middel moeten er dus allebei zijn.
De wet stelt op dit misdrijf een straf van niveau 3. Voor een rechtspersoon bepaalt artikel 38 van het Strafwetboek op dat niveau een geldboete van meer dan 360.000 euro tot 600.000 euro. Dat zijn de bedragen van de wettekst. De opdecimes van de wet van 5 maart 1952 komen daar nog bij. Artikel 480 verhoogt de straf naar niveau 4 wanneer het slachtoffer minderjarig of kwetsbaar is.
Het nieuwe Strafwetboek geldt sinds 1 september 2026. Het Strafwetboek van 8 juni 1867 is op die dag opgeheven. Voor feiten van voor die dag blijft het oude wetboek gelden, tenzij de nieuwe wet gunstiger is voor de dader. Het oude artikel 496 gebruikte een langere opsomming van kunstgrepen. Elk dossier wordt vandaag dus twee keer gelezen, en de datum van de feiten beslist. Wij schreven eerder over de voorwaarden van het oude artikel 496.
Waar ligt de grens met misbruik van vertrouwen?
De grens ligt bij het ogenblik waarop de dader het goed kreeg. Bij oplichting geeft het slachtoffer het goed zelf af, overtuigd door een valse naam, een valse hoedanigheid of een listige kunstgreep. Bij misbruik van vertrouwen was het goed al aan de dader overhandigd, onder de verplichting het terug te geven of het voor een bepaald doel te gebruiken. Artikel 475 vraagt daarom geen kunstgreep. Op beide misdrijven staat een straf van niveau 3.
Het Strafwetboek kent nog twee verwante misdrijven die in een ondernemingsdossier meelopen. Artikel 476 straft misbruik van vennootschapsgoederen: de bestuurder in feite of in rechte die met bedrieglijk opzet de goederen of het krediet van de rechtspersoon voor persoonlijke doeleinden gebruikt. Artikel 451 straft valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken. Op beide staat eveneens niveau 3.
Wie de opbrengst daarna verhult of omzet, komt bij artikel 502 uit, dat het witwassen straft. Daar geldt bovenop de straf van niveau 3 een bijkomende geldboete tot 2.000.000 euro, of tot de waarde van de witgewassen goederen. Eén reeks feiten levert in de praktijk dus vaak meer dan één tenlastelegging op.
Wat doet een onderneming die is opgelicht?
Wie beweert door een misdrijf te zijn benadeeld, kan klacht doen bij de bevoegde onderzoeksrechter en zich burgerlijke partij stellen. Die klacht opent zelf een gerechtelijk onderzoek, op grond van artikel 63 van het Wetboek van strafvordering. Artikel 67 laat de stap toe in elke stand van het geding, tot de sluiting van de debatten. Wie enkel zijn schade wil laten acteren, legt bij het parket of bij de politie een verklaring van benadeelde persoon af.
De burgerlijke partij is een rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 21bis, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering. Zij kan dus inzage van het strafdossier vragen, via de artikelen 21bis en 61ter. Snelheid telt daarbij, want een bewarend beslag houdt het vermogen vast terwijl het onderzoek loopt.
Dat beslag vraagt drie dingen: spoedeisendheid, een schuldvordering die zeker en opeisbaar is en die vaststaat of vatbaar is voor een voorlopige raming, en een verzoekschrift bij de beslagrechter. Op dat verzoekschrift wordt uiterlijk binnen acht dagen na de neerlegging beschikt. Bewarend beslag onder derden kan zonder voorafgaande rechterlijke toelating, op grond van authentieke of onderhandse stukken, door een gerechtsdeurwaarder. Ons fraudeonderzoek loopt door tot de schaderecuperatie.
Gaat het om een eigen medewerker, dan speelt artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Een werknemer is tegenover zijn werkgever en tegenover derden enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld, en voor lichte schuld alleen als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. Wie oplichting pleegt, handelt met bedrog, zodat die beperking hem niet beschermt. De pagina voor wie fraude in zijn bedrijf vaststelt zet de eerste dagen uiteen.
Wat als uw onderneming of u zelf verdacht wordt?
Wie als verdachte wordt verhoord, krijgt vooraf de rechten van artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering. Daartoe behoren een vertrouwelijk overleg met een advocaat voor het verhoor en de bijstand van die advocaat tijdens het verhoor. Een veroordeling mag niet worden gegrond op verklaringen die in strijd met dat recht zijn afgelegd. Wij verzorgen de bijstand bij het verhoor.
De vennootschap en de bestuurder staan naast elkaar in het dossier. Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk op grond van artikel 18 van het Strafwetboek, en die verantwoordelijkheid sluit die van de natuurlijke persoon niet uit. Artikel 16 houdt daarbij vast dat niemand strafrechtelijk verantwoordelijk is dan voor zijn eigen gedragingen. Loopt de strafvordering voor dezelfde of samenhangende feiten tegen de vennootschap en tegen haar vertegenwoordiger, dan wijst de bevoegde rechtbank een lasthebber ad hoc aan.
De procureur des Konings kan een minnelijke schikking voorstellen zolang het feit niet van die aard lijkt te zijn dat het moet worden gestraft met een hoofdstraf van meer dan twee jaar gevangenisstraf of zwaarder. De schade aan een ander moet dan geheel vergoed zijn. Betaalt de dader de geldsom, dan geldt die betaling voor de burgerlijke rechtbank als een onweerlegbaar vermoeden van fout. Onze pagina over de strafrechtelijke verdediging van de onderneming en die voor wie verdacht wordt van fraude zetten de volgende stappen uiteen.
Veelgestelde vragen
Staat oplichting nog in artikel 496 van het Strafwetboek?
Niet meer. Oplichting staat sinds 1 september 2026 in artikel 479 van het nieuwe Strafwetboek. Het Strafwetboek van 8 juni 1867, waarin artikel 496 stond, is op diezelfde dag opgeheven. Voor feiten van voor 1 september 2026 blijft het oude wetboek wel gelden, tenzij de nieuwe wet gunstiger is voor de dader. De datum van de feiten bepaalt dus welke tekst uw dossier beheerst.
Welke straf staat op oplichting?
Een straf van niveau 3. Voor een rechtspersoon bepaalt artikel 38 van het Strafwetboek op dat niveau een geldboete van meer dan 360.000 euro tot 600.000 euro. Dat zijn de bedragen van de wettekst, nog te verhogen met de opdecimes van de wet van 5 maart 1952. Artikel 480 tilt de straf naar niveau 4 wanneer het slachtoffer minderjarig of kwetsbaar is.
Wat is het verschil tussen oplichting en misbruik van vertrouwen?
Het verschil zit in het ogenblik waarop de dader het goed kreeg. Bij oplichting overtuigt hij het slachtoffer met een valse naam, een valse hoedanigheid of een listige kunstgreep om het goed af te geven. Bij misbruik van vertrouwen was het goed hem al overhandigd, met de verplichting het terug te geven of het voor een bepaald doel te gebruiken. Artikel 475 vraagt daarom geen kunstgreep.
Kan mijn onderneming zich burgerlijke partij stellen na oplichting?
Ja. Wie beweert door een misdrijf te zijn benadeeld, kan klacht doen bij de bevoegde onderzoeksrechter en zich burgerlijke partij stellen. Artikel 63 van het Wetboek van strafvordering opent daarmee zelf een gerechtelijk onderzoek. Artikel 67 laat die stap toe in elke stand van het geding, tot de sluiting van de debatten. Wie enkel zijn schade wil laten acteren, legt een verklaring van benadeelde persoon af.