Voor ondernemingen en bestuurders
Een medewerker houdt bedrijfsmiddelen die hij enkel mocht gebruiken. Een tussenpersoon betaalt de gelden die hij inde niet door. Misbruik van vertrouwen is het misdrijf van artikel 475 van het Strafwetboek, en het treft de onderneming die een goed uit handen gaf aan iemand die het moest teruggeven. Deze pagina zet uiteen wat de wet straft, waar de grens met oplichting ligt en welke stappen openstaan.
Wanneer is er misbruik van vertrouwen?
Artikel 475 van het Strafwetboek straft het met bedrieglijk opzet en ten nadele van een ander verduisteren of verspillen van een roerend goed met economische waarde. Het goed moet aan de dader zijn overhandigd onder de verplichting om het terug te geven of om het voor een bepaald doel te gebruiken. De dader had het goed dus in handen voor hij het verduisterde. Zonder die overhandiging is er geen misdrijf onder artikel 475.
De wet stelt op dit misdrijf een straf van niveau 3. Voor een rechtspersoon bepaalt artikel 38 van het Strafwetboek op dat niveau een geldboete van meer dan 360.000 euro tot 600.000 euro. Dat zijn de bedragen van de wettekst. De opdecimes van de wet van 5 maart 1952 komen daar nog bij, zodat het eindbedrag hoger ligt.
Het nieuwe Strafwetboek geldt sinds 1 september 2026. Voor feiten van voor die dag blijft het Strafwetboek van 8 juni 1867 gelden, tenzij de nieuwe wet gunstiger is voor de dader. Het oude artikel 491 stelde op hetzelfde feit een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een geldboete van 26 tot 500 euro, te verhogen met de opdeciemen. Elk dossier wordt vandaag dus twee keer gelezen. De datum van de feiten bepaalt welke wet geldt.
Waar ligt de grens met oplichting?
De grens ligt bij het ogenblik waarop de dader het goed kreeg. Artikel 479 straft oplichting: het met bedrieglijk opzet beogen te verwerven van een onrechtmatig economisch voordeel voor zichzelf of voor een ander, hetzij door valse namen of valse hoedanigheden te gebruiken, hetzij door listige kunstgrepen aan te wenden om andermans vertrouwen op slinkse wijze te winnen. Artikel 475 vraagt geen kunstgreep. Daar is het goed al overhandigd. Op beide misdrijven staat een straf van niveau 3. Wij schreven eerder over wat oplichting is.
Het Strafwetboek kent twee verwante misdrijven. Artikel 476 straft misbruik van vennootschapsgoederen: de bestuurder in feite of in rechte van een privaatrechtelijke rechtspersoon die met bedrieglijk opzet de goederen of het krediet van die rechtspersoon voor persoonlijke doeleinden gebruikt, terwijl hij weet dat dit op betekenisvolle wijze in het nadeel is van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. Artikel 451 straft valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken. Ook op die twee staat niveau 3. Wie de opbrengst daarna verhult of omzet, komt bij artikel 502 uit, dat het witwassen straft.
Wat doet een onderneming die haar goed niet terugkrijgt?
Wie beweert door een misdrijf te zijn benadeeld, kan bij de bevoegde onderzoeksrechter een klacht met burgerlijke partijstelling indienen. Die klacht met burgerlijkepartijstelling opent zelf een gerechtelijk onderzoek (artikel 63 van het Wetboek van strafvordering). De burgerlijkepartijstelling kan in elke stand van het geding, tot de sluiting van de debatten (artikel 67). Wie enkel zijn schade wil laten acteren, legt bij het parket of bij de politie een verklaring van benadeelde persoon af (artikel 5bis van de voorafgaande titel).
De burgerlijke partij is een rechtstreeks belanghebbende. Zij kan dus inzage van het strafdossier vragen: tijdens het opsporingsonderzoek aan de procureur des Konings, tijdens het gerechtelijk onderzoek aan de onderzoeksrechter.
Een bewarend beslag houdt het vermogen vast terwijl het onderzoek loopt. Het vraagt spoedeisendheid, een schuldvordering die zeker en opeisbaar is en die vaststaat of vatbaar is voor een voorlopige raming, en een verzoekschrift bij de beslagrechter. Op dat verzoekschrift wordt uiterlijk binnen acht dagen na de neerlegging beschikt. Bewarend beslag onder derden kan zonder voorafgaande rechterlijke toelating, op grond van authentieke of onderhandse stukken, door een gerechtsdeurwaarder.
Gaat het om een eigen medewerker, dan speelt artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Een werknemer is tegenover zijn werkgever en tegenover derden enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld, en voor lichte schuld alleen als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. Wie zelf fraude pleegt, handelt met bedrog of minstens met zware schuld, zodat die beperking hem niet beschermt. De collega’s die door onachtzaamheid hebben bijgedragen, vallen er wel onder. Een fraud assessment brengt uw onderzoeksmogelijkheden in kaart, en het fraudeonderzoek loopt door tot de schaderecuperatie.
Wat als uw onderneming of u zelf verdacht wordt?
Wie als verdachte wordt verhoord, krijgt vooraf de rechten van artikel 47bis, paragraaf 2, van het Wetboek van strafvordering. Daartoe behoren een vertrouwelijk overleg met een advocaat voor het verhoor en de bijstand van die advocaat tijdens het verhoor. Een veroordeling mag niet worden gegrond op verklaringen die zijn afgelegd in strijd met dat recht. Wij verzorgen de bijstand bij het verhoor.
De vennootschap en de bestuurder staan naast elkaar in het dossier. Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn voorwerp of met de waarneming van zijn belangen, of die voor zijn rekening zijn gepleegd (artikel 18 van het Strafwetboek). Die verantwoordelijkheid sluit die van de natuurlijke persoon niet uit. Niemand is strafrechtelijk verantwoordelijk dan voor zijn eigen gedragingen (artikel 16). Loopt de strafvordering voor dezelfde feiten tegen de vennootschap en tegen haar vertegenwoordiger, dan wijst de bevoegde rechtbank een lasthebber ad hoc aan.
De procureur des Konings kan een minnelijke schikking voorstellen zolang het feit niet van die aard lijkt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar gevangenisstraf of een zwaardere straf voor een natuurlijke persoon, en met een geldboete van meer dan 360.000 euro voor een rechtspersoon. De schade aan een ander moet dan geheel vergoed zijn. Betaalt de dader de geldsom, dan geldt die betaling voor de burgerlijke rechtbank als een onweerlegbaar vermoeden van fout. Onze pagina over de strafrechtelijke verdediging van de onderneming zet de volgende stappen uiteen, en de pagina voor wie verdacht wordt van fraude beschrijft het verloop van zo een dossier.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen misbruik van vertrouwen en oplichting?
Het verschil zit in het ogenblik waarop de dader het goed kreeg. Bij misbruik van vertrouwen was het goed al aan hem overhandigd, met de verplichting om het terug te geven of om het voor een bepaald doel te gebruiken (artikel 475). Bij oplichting verwerft de dader het voordeel juist door valse namen, valse hoedanigheden of listige kunstgrepen (artikel 479). Op beide misdrijven staat een straf van niveau 3.
Welke straf staat op artikel 475 van het Strafwetboek?
Een straf van niveau 3. Voor een rechtspersoon bepaalt artikel 38 van het Strafwetboek op dat niveau een geldboete van meer dan 360.000 euro tot 600.000 euro. Dat zijn de bedragen van de wettekst, zonder de opdecimes van de wet van 5 maart 1952. Voor feiten van voor 1 september 2026 blijft het oude artikel 491 gelden, met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een geldboete van 26 tot 500 euro, te verhogen met de opdeciemen.
Kan mijn onderneming zich burgerlijke partij stellen?
Ja. Wie beweert door een misdrijf te zijn benadeeld, kan klacht doen bij de bevoegde onderzoeksrechter en zich burgerlijke partij stellen (artikel 63 van het Wetboek van strafvordering). Die klacht opent zelf een gerechtelijk onderzoek. De burgerlijkepartijstelling kan in elke stand van het geding, tot de sluiting van de debatten (artikel 67). Als burgerlijke partij bent u een rechtstreeks belanghebbende en kunt u inzage van het strafdossier vragen.
Kan de vennootschap naast de bestuurder worden vervolgd?
Ja. Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn voorwerp of met de waarneming van zijn belangen, of die voor zijn rekening zijn gepleegd (artikel 18 van het Strafwetboek). Het derde lid van dat artikel bepaalt dat die verantwoordelijkheid die van de natuurlijke persoon niet uitsluit. Loopt de vervolging voor dezelfde feiten tegen beide, dan wijst de bevoegde rechtbank een lasthebber ad hoc aan.