Voor bestuurders en aandeelhouders
U bestuurt een vennootschap en u wil weten waar uw persoonlijke aansprakelijkheid begint. Bestuurdersaansprakelijkheid volgt niet uit elke verkeerde beslissing: het Wetboek van vennootschappen en verenigingen toetst marginaal, plafonneert het bedrag en laat dat plafond weer vallen zodra er bedrieglijk opzet is. Deze pagina zet de gronden op een rij die in een fraudedossier tellen.
Wanneer is een bestuurder persoonlijk aansprakelijk?
Een bestuurder is tegenover zijn vennootschap aansprakelijk voor fouten in de uitoefening van zijn opdracht, en tegenover derden voor zover die fout buitencontractueel is. Artikel 2:51 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen legt elk lid van een bestuursorgaan een behoorlijke vervulling van zijn taak op.
De rechter toetst marginaal. Alleen beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders in dezelfde omstandigheden redelijkerwijze van mening kunnen verschillen, leiden tot aansprakelijkheid (artikel 2:56 WVV). Diezelfde bepaling raakt ieder die werkelijke bestuursbevoegdheid heeft of heeft gehad, dus ook de feitelijke en de gewezen bestuurder.
Vormt het bestuursorgaan een college, dan is de aansprakelijkheid hoofdelijk. Een bestuurder die geen deel had aan de fout wordt daarvan ontheven wanneer hij ze meldt aan alle andere leden en die melding in de notulen wordt opgenomen. Een mondeling voorbehoud zonder notulen laat niets na. Zie ook onze pagina voor bedrijfsleiders en ondernemingen.
Hoe hoog kan de bestuurdersaansprakelijkheid oplopen?
Artikel 2:57 WVV plafonneert de bestuurdersaansprakelijkheid op 125.000 euro, 250.000 euro, 1 miljoen euro, 3 miljoen euro of 12 miljoen euro, naargelang de gemiddelde omzet en het gemiddelde balanstotaal over de drie boekjaren voor de vordering. De hoogste trap geldt bovendien voor elke organisatie van openbaar belang, ongeacht haar omvang.
Het plafond is geen bedrag per bestuurder. Het geldt voor alle aansprakelijke personen samen, en per feit of geheel van feiten, ongeacht het aantal eisers.
In een fraudedossier verdwijnt dat plafond meestal. Artikel 2:57, § 3, 1°, WVV schakelt de beperking uit bij een lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt, bij zware fout, bij bedrieglijk opzet en bij oogmerk om te schaden.
Een clausule die u vooraf indekt, verandert daar niets aan. Artikel 2:58 WVV verbiedt de rechtspersoon en zijn dochtervennootschappen om een bestuurder vooraf te exonereren of te vrijwaren, en houdt elke strijdige bepaling voor niet geschreven. Wie die marge vooraf wil kennen, komt bij ons preventief advies aan aandeelhouders terecht.
Wat dekt de kwijting van de algemene vergadering?
Een kwijting dekt de bestuurder alleen wanneer de jaarrekening de ware toestand van de vennootschap niet verbergt. Artikel 5:98, tweede lid, WVV stelt daar in een besloten vennootschap een tweede eis naast: de met de statuten of met het wetboek strijdige verrichtingen moeten bepaaldelijk in de oproeping zijn aangegeven. In een naamloze vennootschap moeten die schendingen uitdrukkelijk in de agenda van de algemene vergadering staan (artikel 7:149 WVV).
Een verleende kwijting sluit de minderheidsvordering niet uit. Aandeelhouders van een besloten vennootschap met ten minste 10 % van de uitgegeven aandelen op de dag van de kwijtingsbeslissing kunnen voor rekening van de vennootschap tegen het bestuursorgaan optreden (artikel 5:104 WVV). In een naamloze vennootschap ligt de drempel op 1 % van de stemmen (artikel 7:157 WVV). Alleen wie de kwijting niet of op een ongeldige wijze heeft goedgekeurd, kan die vordering instellen.
De termijn is vijf jaar. Artikel 2:143, § 1, WVV laat de vorderingen tegen leden van het bestuursorgaan verjaren vijf jaar na de verrichtingen, of vijf jaar na de ontdekking ervan wanneer zij met opzet verborgen zijn gehouden. Dat laatste stuk telt in elk vennootschapsconflict waarin cijfers zijn achtergehouden.
Wanneer spreekt de curator u aan na een faillissement?
De curator kan u persoonlijk aansprakelijk laten verklaren voor het tekort wanneer een door u begane kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement (artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht). Iedere vorm van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, geldt daarbij in elk geval als een kennelijk grove fout.
Voor de kleinste ondernemingen bestaat die vordering niet. Zij is uitgesloten wanneer de gefailleerde onderneming een gemiddelde omzet van minder dan 620.000 euro behaalde en het balanstotaal bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370.000 euro.
Ook een benadeelde schuldeiser kan optreden, maar niet meteen. Hij moet eerst de curator aanmanen, en pas wanneer die de vordering binnen een maand niet zelf instelt, kan hij ze zelf instellen. Artikel XX.227 WER treft daarnaast de bestuurder die wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om het faillissement te vermijden. Die vordering komt uitsluitend de curator toe.
Het plafond van artikel 2:57 WVV helpt hier maar half. Het dekt wel de aansprakelijkheid van artikel XX.227 WER, niet die van artikel XX.225 WER. Alle vorderingen op grond van de artikelen XX.225, XX.226 en XX.227 WER komen uitsluitend voor de insolventierechtbank. Wij behandelen die dossiers onder conflicten na faling en vereffening.
Wanneer staat u strafrechtelijk naast uw vennootschap?
U staat strafrechtelijk naast uw vennootschap zodra u de gedraging zelf stelt, ze laat stellen of er wetens en willens aan meewerkt. Artikel 16 van het nieuwe Strafwetboek houdt niemand verantwoordelijk dan voor zijn eigen gedragingen.
De vervolging van de vennootschap sluit die van de bestuurder niet uit. Artikel 18, derde lid, bepaalt dat uitdrukkelijk, en de wet van 11 juli 2018 heeft de decumulregel afgeschaft met ingang van 30 juli 2018. Let wel op de datum van de feiten. Het nieuwe Strafwetboek geldt sinds 1 september 2026, en voor oudere feiten blijft het Strafwetboek van 8 juni 1867 gelden, tenzij de nieuwe wet gunstiger is. Wij meten dat risico vooraf in een audit strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
Eén misdrijf viseert de bestuurder rechtstreeks. Artikel 476 van het nieuwe Strafwetboek, vroeger artikel 492bis, straft de bestuurder in feite of in rechte van een privaatrechtelijke rechtspersoon die met bedrieglijk opzet de goederen of het krediet van die rechtspersoon voor persoonlijke doeleinden gebruikt.
Een delegatie van bevoegdheden verlegt die verantwoordelijkheid alleen onder voorwaarden. De onderneming die persoonlijk niet tot het misdrijf heeft bijgedragen, kan haar verantwoordelijkheid verleggen wanneer zij aantoont dat zij haar bevoegdheden delegeerde aan een persoon met de vereiste bekwaamheid, het vereiste gezag en de vereiste middelen. De overdracht is enkel toegelaten wanneer de wetgever of de reglementerende overheid ze, al was het maar impliciet, toestaat, en de overdrager draagt de bewijslast. Waar de wet een verplichting persoonlijk oplegt, helpt geen enkele delegatie. Loopt er al een onderzoek, dan neemt onze strafrechtelijke verdediging van de onderneming over.
Veelgestelde vragen
Kan een bestuurder samen met zijn vennootschap worden veroordeeld?
Ja. Artikel 18, derde lid, van het nieuwe Strafwetboek bepaalt dat de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon die van de bestuurder niet uitsluit. De wet van 11 juli 2018 heeft de decumulregel afgeschaft met ingang van 30 juli 2018, zodat de rechter niet meer moet nagaan wie van beiden de zwaarste fout beging. Reken er dus op dat het parket beide vervolgt.
Wanneer valt het plafond op de bestuurdersaansprakelijkheid weg?
Bij een lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt, bij zware fout, bij bedrieglijk opzet en bij oogmerk om te schaden. Dat staat in artikel 2:57, § 3, 1°, WVV. Het plafond dekt bovendien wel de aansprakelijkheid van artikel XX.227 van het Wetboek van economisch recht, maar niet die van artikel XX.225, de kennelijk grove fout die tot het faillissement heeft bijgedragen.
Beschermt een kwijting de bestuurder tegen een vordering?
Alleen wanneer de jaarrekening de ware toestand van de vennootschap niet verbergt. In een besloten vennootschap is de kwijting daarnaast maar rechtsgeldig wanneer de met de statuten of met het wetboek strijdige verrichtingen bepaaldelijk in de oproeping zijn aangegeven (artikel 5:98 WVV). In een naamloze vennootschap moeten die schendingen uitdrukkelijk in de agenda van de algemene vergadering staan (artikel 7:149 WVV).
Wat maakt een delegatie van bevoegdheden geldig?
De gedelegeerde moet over de vereiste bekwaamheid, het vereiste gezag en de vereiste middelen beschikken. De overdracht is daarnaast enkel toegelaten wanneer de wetgever of de reglementerende overheid ze, al was het maar impliciet, toestaat. De bewijslast ligt bij wie delegeert, niet bij het parket. Het Hof van Cassatie legde die regels vast op 5 mei 2021 en bevestigde ze op 11 januari 2023.
Binnen welke termijn kan de vennootschap haar bestuurder nog aanspreken?
Binnen vijf jaar. Artikel 2:143, § 1, WVV laat de rechtsvorderingen tegen leden van het bestuursorgaan verjaren vijf jaar na de verrichtingen in verband met hun taak. Zijn die verrichtingen met opzet verborgen gehouden, dan loopt de termijn pas vanaf de ontdekking ervan. In een fraudedossier is dat het deel van de bepaling dat telt.