Naar de inhoud

Grondwettelijk Hof laat het specialiteitsbeginsel voor privaat onderzoek staan

Compliance, Fraude

verlichte toegangspoortjes in een donkere stationshal

Het Grondwettelijk Hof verwierp op 22 oktober 2026 het beroep tegen de wet private opsporing. Daarmee blijft het specialiteitsbeginsel overeind: wie vergund is voor private opsporing, mag daarnaast geen enkele andere beroepsactiviteit uitoefenen. Voor een onderneming met een eigen onderzoekscel bepaalt dat wie er mag zitten.

Wat lag er voor bij het Grondwettelijk Hof?

Arrest nr. 120/2026 van 22 oktober 2026 behandelt een beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 mei 2024 tot regeling van de private opsporing, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 december 2024. De bestreden bepalingen traden in werking op 16 december 2024. Het Hof verwerpt het beroep.

De verzoekers vielen onder meer artikel 24 aan, dat het specialiteitsbeginsel vastlegt. Een eerste middel steunde op artikel 23 van de Grondwet, dat het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid waarborgt en een standstill-verplichting inhoudt. Een derde middel steunde op artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM: de wet zou geen duidelijk onderscheid toelaten tussen private opsporing en aanpalende technische beroepen.

Wat houdt het specialiteitsbeginsel in de wet private opsporing in?

Artikel 24 bepaalt dat ondernemingen voor private opsporing geen andere activiteiten kunnen uitvoeren dan de activiteiten van private opsporing waarvoor zij op grond van die wet vergund zijn. Eén afwijking blijft over: zij kunnen ook worden vergund als onderneming voor veiligheidsadvies in de zin van artikel 8 van de wet van 2 oktober 2017.

De parlementaire voorbereiding die het Hof aanhaalt, geeft de reden. Het beginsel moet de professionalisering en de beroepsernst waarborgen, en voorkomen dat ondernemingen naast hun opsporingsactiviteiten andere activiteiten uitvoeren waardoor zij kennis krijgen van informatie of toegang hebben tot gegevens die bij hun opsporingswerk kunnen worden aangewend.

Waarom liet het Hof de algemene onverenigbaarheid staan?

Het Hof erkent dat de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft. Omdat de activiteit van privaat onderzoeker een verregaande inmenging in het privéleven meebrengt, is het beperken van de toegang tot dat beroep een geschikt middel, met inbegrip van het verbod om gelijktijdig een ander beroep uit te oefenen.

De wetgever mocht volgens het Hof een algemene onverenigbaarheid van elke beroepsactiviteit invoeren, zonder onderscheid naargelang die activiteit rechtstreeks toegang geeft tot persoonsgegevens en zonder de administratie daarover een beoordelingsbevoegdheid te geven. Het Hof leest artikel 24 wel strikt: de bepaling raakt enkel de gelijktijdige uitoefening. Wie de andere beroepsactiviteit stopzet, kan daarna aan private opsporing doen; omgekeerd belet de bepaling niemand dat andere beroep voort te zetten.

Wie in uw onderneming valt onder de onverenigbaarheden?

Hoofdstuk 4 van de wet is volgens artikel 29 van toepassing op de personen die de werkelijke leiding hebben van een onderneming of van een interne dienst voor private opsporing, op de opdrachthouders en op de private onderzoekers zelf. Dat zijn de bedrijfsleider en alle personen met een gezagsfunctie die aan die activiteiten verbonden is, de opdrachthouder inbegrepen: de natuurlijke persoon die in naam van de onderneming of de interne dienst de opdracht aanvaardt.

Op die personen rust artikel 30, eerste lid, 3°, d). Zij mogen niet tegelijk met hun functie in de private opsporing activiteiten uitoefenen in een onderneming zoals bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 7, 10, 11 of 12 van de wet van 2 oktober 2017. Een onderneming die haar bewakingsverantwoordelijke ook de leiding over de interne onderzoekscel geeft, loopt daar dus tegenaan.

Waar eindigt een technische vaststelling en begint privaat onderzoek?

Het Hof plaatst de grens bij de uitzonderingen van artikel 4, eerste lid. Punt 2° houdt de beroepen buiten de wet waarbij de informatie-inwinning uitsluitend bij de betrokkene zelf gebeurt. Punt 3° doet dat voor de door de gerechtelijke overheid aangestelde expert. Punt 6° sluit de schaderegeling in de verzekeringen uit, voor zover die wordt uitgevoerd zonder onderzoek naar fraude.

Die laatste voorwaarde bepaalt het hele onderscheid. Zodra een technische vaststelling de vraag gaat beantwoorden of de aangifte waarheidsgetrouw is, verlaat zij de uitzondering. Hetzelfde geldt voor punt 7°, dat de auditor buiten het toepassingsgebied houdt zolang hij geen inlichtingen over personen verzamelt om voor de opdrachtgever ongewenste feiten op te helderen. Het Hof herinnert eraan dat elke inmenging in het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen moet zijn geformuleerd, en verwijst naar Rotaru tegen Roemenië van 4 mei 2000 en S. en Marper tegen het Verenigd Koninkrijk van 4 december 2008.

Wat doet de onderneming nu?

Leg eerst naast elkaar wie binnen de organisatie onderzoeken opstart, aanvaardt en aanstuurt, en toets die namen aan artikel 30. Ga daarna na welke nevenfuncties die personen bekleden, vooral in bewaking en beveiliging. Lees vervolgens de opdrachtbrief van uw externe partner na: een bureau dat naast opsporing ook andere diensten aanbiedt, botst op artikel 24. Waar een vermoeden concreet wordt, vertrekt het fraudeonderzoek best vanuit een opzet die de wet volgt.

Wij zetten interne onderzoeken op binnen het kader van de wet private opsporing, van de verdeling van de rollen en de toetsing van de onverenigbaarheden tot de begeleiding van het onderzoek zelf. Wenst u meer informatie of een afspraak? Contacteer ons vrijblijvend via ons contactformulier.

Neem contact op

Leg ons uw dossier voor.

Laat uw gegevens achter. U hoort binnen een werkdag van ons.

Of bel 09/334.94.70

Everest Fraud CTA (nl)
Everest (anti)fraud